ONTSTAAN VAN HET RAS
Zijn historie is
betrekkelijk kort te noemen. Het ras ontstond in het midden van de 19e eeuw.
Hij vindt zijn oorsprong in het Engelse graafschap Yorkshire en voornamelijk
in het dal van de Aire, een riviertje dat zich door Yorkshire slingert.
Hij dankt zijn naam aan deze streek, maar ook verrichtte hij zijn werk aan
de oevers van de Aire waar hij werd ingezet op de jacht naar otters,
marters, bunzings en ander schadelijk wild.
Hiervoor had men een hond nodig die dapper, sterk en slim was en het werk
voor een groot deel onder de grond kon doen om zo het wild op te jagen.
Het waren vooral de jagers en fokkers in Bradford, Bingley, Otley en Shipley
die een groot aandeel hebben gehad in het ontstaan van de Airedale Terriër.
Verondersteld wordt dat zij verschillende rassen hebben gebruikt en het is
aannemelijk dat de otterhound, de harrier, de bullterriër en andere terriërrassen
een rol hebben gespeeld in de totstandkoming van het Airedale-ras.
Hij werd destijds de "Waterside- of Working Terrier" genoemd.
Zo rond 1880 ontstond na voorafgaand geharrewar de naam "Airedale
Terrier".
Door onderling fokken en steeds weer betere raspunten op te stellen is de
Airedale "uitgegroeid" tot het huidige product dat op een hoog
peil staat qua schoonheid, vorm en type.
De "Koning der Terriërs" wordt hij door zijn liefhebbers
genoemd. Hij is vergeleken met de andere terriërs groot, statig en waardig.
EIGENSCHAPPEN
De Airedale heeft een
groot aantal gunstige eigenschappen, een prettig karakter en past zich
gemakkelijk aan omstandigheden en omgeving aan. Hoewel hij terriër is,
kwiek en vurig en een tegenstander zelden uit de weg gaat, is hij toch de
meest beheerste van alle terriërs.
De Airedale is van nature vrolijk, altijd in voor een spelletje, gezellig en
aanhankelijk. Een Airedale is veel aan te leren. De goede Airedale is scherp
van uitdrukking, snel van beweging en in gespannen verwachting bij elke
beweging. Hij heeft een rustig gedrag in huiselijke kring en hij kan het
goed vinden met kinderen.
OPVOEDING
Een goede opvoeding is een
noodzaak wil men voor de volle honderd procent genieten van de ware aard van
de Airedale. Op zeer prille leeftijd als pup moet hiermee worden begonnen.
Een puppycursus of een cursus gedrag en gehoorzaamheid zullen z'n vruchten
afwerpen en uw Airedale zal als een gehoorzame, welopgevoede en
gesocialiseerde vriend door het leven gaan. De plaatselijke
kynologievereniging (te vinden bij de
Raad van Beheer), afdeling van de dierenbescherming of de dierenarts kan
u daarover nader inlichten.
HET
TRIMMEN D.W.Z. PLUKKEN VAN DE AIREDALE
De vacht van de Airedale
voelt hard aan en moet geplukt worden. Bij het plukken worden de harde, dode
haren (het rijpe haar) met kleine plukjes tegelijk tussen duim en wijsvinger
uit de huid getrokken. Het verwijderen van het oude, dode haar kan echter
ook met een zgn. trimmesje.
Het gebeurt nog te vaak dat Airedale Terriërs worden geschoren. Dit is voor
de hond niet gezond omdat het dode haar wordt afgeschoren en er een dood
stoppelveld in het vel blijft zitten. Dat kan allerlei huidkwalen en
irritaties tot gevolg hebben. Bovendien zal de kleur en de kwaliteit van de
vacht sterk achteruit gaan.
ENKELE
RASPUNTEN
Hieronder volgt een
summiere beschrijving van de raskenmerken van de Airedale Terriër. Deze is
gebaseerd op de volledige officiële rasstandaard
van de Federation Cynologique Internationale.
Algemeen:
De Airedale moet een
harmonisch gebouwde hond zijn. Bij het lopen moeten de benen recht
vooruit bewogen worden.
Hoofd:
De schedel moet lang en
vlak zijn, niet te breed tussen de oren en langzaam versmallen naar de
ogen. Schedel en voorsnuit zijn ongeveer even lang. Hij moet een krachtige
voorsnuit hebben met gespierde kaken zonder dat er sprake is van
uitpuilende wangspieren (bakken).
Ogen:
Moeten donker van kleur
zijn, klein, niet uitpuilend, vol terriëruitdrukking, vurig en schrander.
Oren:
V-vormig, zijwaarts
gedragen, in verhouding tot de grootte van de hond. De bovenlijn van het
gevouwen oor iets boven het schedelvlak.
Mond:
Sterke tanden, sterke
kaken. Een schaargebit (bovensnijtanden nauw overlappend de
ondersnijtanden), recht op de kaken geplaatst geniet voorkeur maar een
tanggebit is ook toegestaan.
Voorhand:
Schouders lang, naar
achteren liggend en schuin naar de rug hellend; schouderbladen vlak.
Voorbenen volkomen recht met goede beenderen. Ellebogen loodrecht op het
lichaam, vrij langs de zijden bewegend.
Lichaam:
Rug kort, sterk, recht
en vlak. Gespierde lendenen. Ribben goed ontwikkeld. Diepe borst, maar
niet breed.
Achterhand:
Dijen lang en krachtig
met gespierde schenkel. Goed gehoekte knieën die niet naar binnen of naar
buiten gedraaid staan.
Voeten:
Klein, rond en compact
met diepe voetzool en gevulde eeltkussens. De voeten moeten recht staan en
niet naar binnen of naar buiten gedraaid.
Staart:
Hoog aangezet en vrolijk
gedragen. Tot op heden nog gecoupeerd. Punt ongeveer gelijk met de top van
de schedel.
Vacht:
Hard, dicht en
draadachtig en niet zo lang dat het er haveloos uitziet. De vacht moet
glad en gesloten zijn en lichaam en benen bedekken. De bovenvacht is hard,
draadachtig en stug, de ondervacht is korter en zachter. De vacht niet
scheren maar laten plukken c.q. trimmen, eens per ongeveer 5 maanden.
Kleur:
Het zadelpatroon (rug,
croupe, ribben en lendenpartij), nek en bovenzijde van de staart zijn
zwart of grijs. Alle andere gedeelten zijn tan-kleurig. Enige witte haren
tussen de voorbenen zijn toegestaan.
Grootte en gewicht:
Gemeten tot aan de top
van de schouders:
Reuen: 58 - 61 cm hoog.
Teven: 56 - 59 cm hoog.
Een gezonde Airedale, d.w.z. zonder overgewicht, zal tussen 20 kg (kleine
teef) en 30 kg (grote reu) wegen.